Bij ons in Veenkade

Bij ons in Veenkade Omgaan met dementie

De vrouw van meneer Merema is dementerend en woont in Veenkade. Hij heeft het er moeilijk mee en krijgt ondersteuning van maatschappelijk werk en wordt pastoraal begeleid.

In 2006 vraagt mevrouw Merema aan haar man of hij ook vindt dat ze vergeetachtig wordt. “Ik wilde haar niet ongerust maken en zei toen dat het wel meeviel,” begint meneer Merema. “Ook schoof ik het een beetje weg, omdat ik het moeilijk vond. Maar op een gegeven moment kon ik er niet meer omheen.”

Moeilijk besluit

Als mevrouw Merema steeds vergeetachtiger wordt, zorgt dit thuis voor veel problemen. “We hadden een goed huwelijk en nooit ruzie, maar in die periode wond ik me over alles op. Ik begreep haar gedrag niet, want ze begon me ineens te slaan en liep weg.” Geëmotioneerd: “Ik zag mijn vrouw veranderen in een totaal ander persoon. Het was haar ziekte die dit deed, dat is iets wat ik me wel realiseerde, want mijn vrouw zou me nooit slaan. We hielden van elkaar. Op een bepaald moment realiseerde ik me dat het zo niet langer kon. Op 15 augustus 2016 werd ze opgenomen in Veenkade. Dat is het moeilijkste besluit dat ik ooit in mijn leven heb genomen.”

Leeg huis

Meneer moet wennen aan het alleen thuis zijn en heeft het daar erg moeilijk mee. “Ik bezoek mijn vrouw elke dag en zie er telkens weer tegenop om naar huis te gaan. Want daar is het stil, of de radio nu aan staat of niet. Ik mis mijn vrouw en dat gevoel is ondragelijk.” Tijdens de bezoeken aan Veenkade constateert een verzorgende de eenzaamheid van meneer. “Ze brachten me in contact met maatschappelijk werkster Wilma en geestelijk verzorger Percy. Samen praten we veel over het gemis en hoe ik daarmee om kan gaan. Ze begrijpen wat er echt in mij omgaat, in tegenstelling tot veel anderen. Goedbedoeld zeggen ze: ‘Ik herken het wel, mijn grootvader of buurman was ook dementerend’. Maar dan denk ik: ‘Ho even jongens, Lia is mijn vrouw, dat is heel anders’.”

"Ze begrijpen wat er echt in mij omgaat, in tegenstelling tot veel anderen."

De maatschappelijk werkster vertelt meneer over een praatgroep voor mensen die in vergelijkbare situaties zitten. “Ik ben daar toen gaan kijken en het klinkt misschien raar, maar het was fijn om te merken dat er meer mensen met soortgelijke problemen worstelen. Je voelt je niet meer zo alleen.”

Vrijwilligerswerk

In Veenkade signaleert meneer hoe druk de medewerkers het hebben. “Dat bracht me op een idee. Ik bood aan om ze bij het middag- en avondeten te helpen en daar voelden ze wel iets voor. Ik help nu op een huiskamer en schep het eten op.” Met een glimlach: “Soms kijkt de leiding me wel een beetje streng aan, want ze willen dat de bewoners het zelf doen wanneer ze dat nog kunnen.” Na een korte stilte: “Ik hang daar vaak de vrolijke jongen uit, maar ik weet dat ik na het avondeten weer naar huis moet. Dat vind ik verschrikkelijk, want ik weet niet hoe ik mijn vrouw de volgende dag tref. Ze gaat snel achteruit, maar gelukkig weet ik dat ze bij Veenkade in goede handen is. Ik betrap me er zelfs op dat ik zeg ‘bij ons’, maar dan bedoel ik ‘bij Meander’.”